Bouw woordenboek

Het bouwvak is een oud beroep waar zowel oude als nieuwe technieken toegepast worden. Het heeft daardoor veel oude en nieuwe uitdrukkingen en afkortingen.

N

Natte cel
Bouwkundige benaming voor badkamer.
Neuslijst, neusstuk
Geprofileerde lijst op het buiten- boeibord van een goot.
Neut
1 - Kraagstuk, waarop het einde van een balk rust.
2 - Blokje van steen of hout waarop de stijl van een deur of vensterkozijn rust.
3 - Afdekstukje over de naad tussen weldorpels bij een stolpraam of -deur.
Noest
Ander woord voor kwast.

omhoog

O

Onderaannemer
Aannemer die in opdracht van een hoofdaannemer een bepaald onderdeel van de verbouwing voor zijn rekening neemt, bijvoorbeeld een stukadoor of schilder.
Onderslagbalk
Horizontale balk om bovenliggende muur op te vangen.
Ontzet
Uit het verband geraakt, ingezakt, gescheurd (van een fundament, muur of pijler).
Opperman
Degene die de specie aanmaakt en dat samen met de stenen bij de metselaar brengt.
Optrede
Hoogteverschil tussen de bovenzijden van twee treden van een trap. Vgl. aantrede.
Opzetter
1 - Opgaande stijl waarmee men een verhoging maakt, b.v. om een dakvlak te verhogen.
2 - Betonopzetter op een houten heipaal om ervoor te zorgen dat de houten paalkop niet boven het grondwater uitkomt.
Overstek
Het overstekende deel van een dak of gootconstructie.

omhoog

P

Paal
Voorwerp van enige lengte, waarvan de lengte vele malen groter is dan de doorsnede, b.v. ter afscheiding van een terrein of ter markering van een punt. Materiaal: hout, natuursteen, beton of ijzer, tegenwoordig ook kunststof.
Paardelul
In de lengte gespleten metselsteen in staand verband gemetseld.
Panieksluiting
Sluiting die op de binnenkant van een dubbele deur is bevestigd en door druk op een horizontale stang kan worden geopend. Als bij paniek tegen de deuren - en dus tegen de stang - wordt gedrukt, openen de deuren zich vanzelf.
Panlat
Horizontale lat waaraan de dakpannen worden gehangen.
Paslaag
Bovenste waterpas gelegde metsellaag van een fundament.
Patio
Een volledig door het gebouw omsloten binnentuin.
Peil
Bovenkant beganegrondvloer en uitgangspunt voor de hoogtemaatvoering.
Piket
Kleine, ronde paaltjes met een oranje kop waarmee de plek van het te bouwen object wordt gemarkeerd.
Piron
Keramisch sierelement dat wel gebruikt wordt als afwerking van het punt waar drie dakvlakken bij elkaar komen.
Pielmannetje
Afstandslatje tussen betonbekistingen.
Platvol voegen
Metselvoegen volstrijken met nog natte specie, zodat de voorkanten gelijk liggen met die van de stenen, teneinde het werk een fors aanzien te geven. Te onderscheiden van knip- en snijwerk.
Potdekselen
Planken voor een schutting, een schuurdak, een gevelvoorschot over elkaar spijkeren, ongeveer op de wijze van dakpannen of schubben (geschubd), teneinde inwatering tegen te gaan. In Noord-Holland noemt met een gepotdekselde houten buitenwand een getrapte weeg.
PKVW
Afkorting van Politie Keurmerk Veilig Wonen.
Pui
Onderste deel van een gevel.

omhoog

R

Rabat
1 - Groef of sponning in een kozijn of dubbele deur.
2 - Groef in houten deel, waarmee deze over of tegen een andere sluit.
Rachel
Horizontale houten lat waaraan plafonds worden bevestigd.
Raveelbalk
Dwarsbalk die de draagbalken rondom een vloeropening opvangt, bijvoorbeeld bij een trapgat.
Renoveren
Herstellen en zo nodig gedeeltelijk vernieuwen van een gebouw, vooral een woonhuis, waardoor het weer bruikbaar is naar de dan geldende maatstaven.
Rensdak
Dak bedekt met leien die aan de onderkant rond zijn.
Ringsleutel
Sleutel met een stalen steel waarmee zes- of twaalfkantige moeren en bouten vast- of losgedraaid worden.
Rollaag
Reeks van gemetselde stenen op hun kant, b.v. als afdekking van of laag onder een kozijn, als afdekking van een muur of topgevel. Een rollaag is vaak een halve steen hoog.
Rooilijn
Grens tot waar gebouwd mag worden.
Ruit
Glazen plaat, oorspronkelijk ruitvormig, thans gewoonlijk rechthoekig of vierkant, die in een raam wordt bevestigd. Vensterglas werd oorspronkelijk als schijf geblazen. Daaruit werden ruitvormige stukjes gesneden, omdat op die wijze het gunstige gebruik werd gemaakt van de cirkelvormige structuur en het minste afval ontstond. Na een wijziging in de fabricagewijze in de 16e eeuw werden in hoofdzaak rechthoekige glasruiten gemaakt. Door de verbeteringen van de fabricagetechnieken kon men steeds grotere ruiten maken, maar de naam is nog steeds afgeleid van de meetkundige figuur, die het stukje glas oorspronkelijk had.

omhoog

S

Sheddak
Scheluw
Materiaal dat scheef of kromgetrokken is door vocht of droogte.
Schoon werk
Zorgvuldig afgemaakt metselwerk, bestemd in het gezicht te komen (niet bedekt door pleisterwerk, betimmeringen, bespanning e.d.).
Schoorsteen
Gemetselde en beklede ondersteuning (schoor) van de rookvanger boven een tegen de muur aangelegde stookplaats, de onderboezem voortzetting van de schouw. De huidige vorm (architraaf met lijst of tablet) is sinds midden 17e eeuw in zwang, naar gelang het gebruik van open vuur beperkt werd. In de middeleeuwen placht het rookkanaal over een deel van zijn hoogte naar buiten gemetseld te zijn, vandaar: schoorsteenstoel, -schacht, of -pijp, het boven het dak uitstekende gemetselde deel van het rookkanaal, rechthoekig of rond, ook (bij fabrieken) geheel vrijstaand.
Schranken
Uit het haaks verband verzakken (van een houten bouwsel, een kapconstructie, een kast e.d.), uit de rechte lijn wijken.
Schilddak
Schulpen
Overlangs zagen van hout.
Skelet
Stijf samenstel van verticale stijlen en horizontale balken of liggers in een gebouw dat het geheel draagt. Daartussen of overheen zijn vloeren en wanden aangebracht. Een skelet kan van hout, gewapend beton of staal zijn.
Slaper
Steunende ligger in een kapconstructie.
Spar
Zie Spoor
Spil
Verticale as waarin de treden van een wenteltrap met hun ene einde bevestigd zijn.
Spoor
Betrekkelijk dun stuk hout, rond of rechthoekig van doorsnede, dat van de dakvoet tot de nok loopt en dat door middel van latten of dakbeschot de dakbedekking draagt. Vroeger werd ook van spar gesproken, welke term niets met de boomsoort te maken heeft. Er was veelal sprake van eiken sparren.
Spouwmuur
Muur bestaande uit twee evenwijdige, door een smalle luchtruimte (spouw) gescheiden delen, waarvan het ene gewoonlijk ter dikte van een halve steen, om het inwendige van een huis tegen kwade invloeden van temperatuur en tegen vocht te beschermen.
Spuwer
Uitmonding van een goot, een verlaatbak of een waterbekken. In de middeleeuwen gaf men de ver uitstekende spuwers graag de vorm van een dierlijk of diabolisch monster, later omgaf met de uitlaat liefst met een leeuwenmasker.
Staal
1 - Ondergrond, harde bodem. 'Op staal funderen'.
2 - Hard ijzer, oorspronkelijk koolstofarm ijzer, dat plotseling in water gekoeld werd. Tegenwoordig wordt al het ijzer met een laag koolstofgehalte staal genoemd, ook als is het niet gehard.
Steen
1 - Harde delfstof die niet smeedbaar is, niet brandbaar, niet in water oplosbaar is en als bouw-, breuk-, of veldsteen in de bouwkunst wordt gebruikt, natuursteen.
2 - Kunstmatig, door hard bakken van een weke grondstof of door verstening aan de lucht van mortels vervaardigde stof. Hiervan is baksteen de voornaamste, verder kalkzandsteen, drijfsteen, betonsteen, voorts samenstellingen met chemische verhardingsmiddelen die zich als muur- en vloerbekleding lenen (terracotta, kunstgraniet, marmercement) of voor beeldhouwwerk (Engelse stucco's, campo, coade-steen enz.).
Steiger
1 - Bouwstelling, stellage voor een werk in aanbouw geplaatst naar gelang dit hoger wordt opgetrokken of wordt gerepareerd. Voor de voornaamste onderdelen, staander, schakel, korteling, kruisschoor. Vliegende steigers (voor herstellingen aan goten en kroonlijsten) worden op balken uit de vensters van de bovenverdieping of bewust opengelaten kortelinggaten onder de kapvoet uitgestoken. Rotterdammer steiger heet een door huisschilders gebruikte hangende steiger, bestaande uit twee jukken die over een kozijndorpel worden bevestigd en waarop planken worden gelegd.
2 - Aanleg- landingssteiger: een paar of een reeks geschoorde jukken die een plankier boven het water dragen en van wrijfhouten (tegen aanvaring) zijn voorzien.
Stelpost
Onderdeel van de begroting dat nog niet exact vastgesteld kan worden, maar wel geschat. Bijvoorbeeld de nog niet definitief uitgekozen keuken.
Stempel
1 - Stijl die een formeel draagt of (meestal schuin gesteld) een bouwvallige muur schoort.
2 - Balk of schoorhout tussen twee overstaande wanden of dammen om te verhinderen dat deze naar elkaar toe wijken.
Stucadoren
Stucwerk maken. Foutief voor alle pleisteren gebruikt.

omhoog

T

Te lood
Honderd procent recht.
Tengel
Houten lat, van 10 x 50 mm tot 22 x 75 mm, veelal gebruikt om bij een beschoten dak de panlatten op te spijkeren.
Tentdak
Trapboom
Deel van de trap waarin de traptreden vastliggen.
Troffel
Metselgereedschap waarmee specie wordt aangebracht.

omhoog

U

Uitbloeding
Uitslag van zout in het metselwerk.
Uitslag
Tekening van een bouwdeel zoals trap, gewelf of kapconstructie in het platte vlak op een schot, waarnaar de onderdelen nauwkeurig kunnen worden gemaakt, eventueel met behulp van een naar de uitslag gemaakt -> mal.
Uitvoerder
Medewerker van het bouwbedrijf die belast is met de dagelijkse leiding op de bouwplaats.

omhoog

V

Vakwerk
Constructie waarbij balken en staven, volgens een stelsel van rechthoeken en/of driehoeken, aan de uiteinden en/of kruiselings (kruishouten, schoren) verbonden worden tot een onwrikbaar geheel. Zowel toegepast voor wanden (vakwerkbouw) als voor draagconstructies (vakwerkligger ). Een moderne toepassing is het ruimtevakwerk, zoals de dakconstructie van de nieuwe RAI-hallen in Amsterdam (1981).
Vallicht
Raam aangebracht in het dakvlak waardoor meer licht valt op de gang of op de trap.
Varken
Zie Kiellaag.
Velling
Afschuining, afsnuiting van een balkhoek, een dorpel enz., meestal onder een hoek van 45 graden.
Verband
Verbinding, samenvoeging van bouwdelen tot een onwrikbare, bij houtbouw ook wel enigszins minder vaste samenstelling. Ook: metselverband.
Verduurzamen
Conserveren van hout om het te beschermen tegen aantasting.
Verfbestek
Omschrijving van het uit te voeren schilderwerk, bijvoorbeeld te gebruiken verfsoorten en de volgorde waarin geschilderd wordt.
Verholen goot
Onder de dakbedekking liggende en derhalve vrijwel onzichtbare goot.
Verkenning
1 - Onregelmatigheid, geringe terugsprong in het vlak of de voegen van metselwerk (die een wijziging in de opbouw of een herstelling kan aanduiden).
2 - (Timmermansterm) Smal randje van een sponning, dat ontstaat door het iets terug liggen van een deur of raam ten opzichte van de koplat en het belegstuk van de kozijnomlijsting.
Vledder
Behangborstel.
Vlijlaag
Niet met mortel gemetselde laag van stenen op hun plat, als onderlaag voor een weg, een vloer, een muur, een fundering op -> staal; (primitiever) van gestampte en geëffende leem, klei, grint.
Vogelschroot
Plank aan de onderzijde van een pannendak, waarvan de bovenlijn de gegolfde onderlijn van de pannen volgt. Op deze wijze wordt voorkomen dat vogels onder de pannen kruipen om er te nestelen.
Voorschot
Houten bekleding van het bovendeel van een gevel zoals in de Zaanstreek gebruikelijk is.
Vuil metselwerk
Metselwerk dat later onzichtbaar wordt door de opgebrachte afwerklaag.

omhoog

W

Wand
Weinig zware afscheiding tussen vertrekken en andere woonruimten onderling alsook tussen deze en de buitenwereld. Primitieve wanden zijn inderdaad gevonden van vlechtwerk, dichtgemaakt met koemest, leem, plaggen enz., later en tegenwoordig meestal van hout (planken, schroten, schot- en paneelwerk) of van gepleisterde tengels en riet (Brabantse wand). Is de wand van zwaar materiaal gemaakt, zoals steen, dan noemt met hem liever muur. In het interieur geeft met echter ook aan de behangen, bespannen of betimmerde muur de naam van wand.
Wang
Zijkant van een trap of dakkapel.
Wapening
1 - Raam van ijzeren verticale staven en horizontale roeden dienend tot steun van een gebrandschilderd venster.
2 - Versterking van betonwerk met ijzeren roeden, vlechtwerk, gaas, teneinde trek- en schuifspanningen op te nemen.
Wateren
Het langdurig in het water leggen van hout, teneinde de schadelijke minerale zouten eruit te verwijderen. Wordt ook gezegd van goed nat maken van steen voor het metselen.
Waterhol
Smal halfrond hol langs de onderkant van uitstekende delen van een gevel, zoals dorpels en waterlijsten.
WBDBO
Begrip uit een NEN norm en afkorting van Weerstand tegen Brand- Doorslag en Brand-Overslag.
Welstandstoezicht
Beoordeling uit esthetisch oogpunt van aanvragen voor een bouwvergunning. Deze beoordeling vindt meestal plaats door een onafhankelijke commissie van deskundigen, die aan het college van burgemeester en wethouders adviseert. In 1912 nam de gemeente Laren (Noord-Holland) als eerst in Nederland een welstandsbepaling in de bouwverordening op en stelde een welstandscommissie in. Pas na de tweede wereldoorlog werd welstandstoezicht een algemeen aanvaard principe.
Welstuk
Bovenste trede van de trap.
Werktekening
Nauwkeurige tekening van de samenstelling en afmetingen van een constructie.
Windveer
Houten plank die tegen de buitenste rij pannen van het dak wordt geplaatst om afwaaien te voorkomen.
Wolfseind
Zadeldak met wolfseind.
Woonkeur
Woonkeur is het nieuwe certificaat voor nieuwbouwwoningen. Het certificaat kan worden afgegeven aan nieuwbouwwoningen met ruim voldoende woontechnische kwaliteit b.v. op het gebied van gebruik, inbraak- en sociale veiligheid, valveiligheid, toegankelijkheid en flexibiliteit.

omhoog

Z

Zadeldak
Zakgoot
Brede en diepe goot tussen twee verschillende dakschilden.
Zaling
De gootconstructie aan de 'hoge' kant van een dakdoorbreking ( b.v. schoorsteen ) in een dakschild. Ook wel zalinggoot genoemd.
Zakker
Druppel die het resultaat is van een te dik aangebrachte verflaag.
Zetting
Tot rust komen van vers metselwerk, vast raken van een boog of een gewelf door het hard worden van de specie en de steviger verbinding van het materiaal.
Zoeten
Natuursteenbewerking, volgend op het schuren, waarbij met een mengsel van rauwe en gekookte lijnolie het vlak wordt nageschuurd. Het oppervlak van de hardsteen, dat meestal deze bewerking ondergaat, wordt donkerder en dieper van kleur.
Zoetschaaf
Ander woord voor vlakschaaf, een schaaf die niet diep schaaft maar alleen afvlakt.
Zoom
Buitenrand van een dakbedekking van metaal.

omhoog